Tjakker.

Wat had hij had die dag opgezien tegen zijn werk.
Een lange autorit door de zware industrie bracht hem op de plaats van bestemming.
Op het politiebureau, waar hij nooit eerder was geweest, moest hij preventieve en correctieve onderhoudsbeurten aan fietsen geven.
Voor hij weer huiswaarts ging wilde hij eerst nog even aarden in het versnipperde landschap.
Zijn voeten hadden weer dat eigenaardige gevoel gehad.
Alsof ze door het ijs konden zakken, zoals hij dat bij lange autoritten wel meer had.
De ruis van de snelweg in het bos bleef hem herinneren aan de plek waar hij zich bevond, tot hij de tsjakkende vogels met roest rode flanken in het vizier had gekregen.
Bij de Botlek aan de Oude Maas had hij ze beslopen.
Met brede borst en afrollende voeten was hij knielend met zijn mobieltje tot vlakbij de koperwieken gekropen.
Als hij een verrekijker had gehad, had zijn dag niet meer stuk gekund.
Schatlijsters ik ben bevoorrecht en jullie eeuwig dankbaar, had hij gedacht.
Daarna verraadde elke wiek zich met zang en grondactiviteiten in de sneeuw.
Hij vergeleek zijn bijzondere moment met het dichte bladeren dek van de zomer, waarin zangvogels moeilijk zichtbaar waren.
Heel de winterweek was hij op het einde van een werkdag naar andere bossen uitgeweken. Overal koperwieken in grote getale.